‘Ons onderzoek laat zien dat het taalbegrip van kinderen met het GNAO1-syndroom niet samenhangt met de ernst van de bewegingsproblemen’

Interview met Laura van de Pol en Larissa Heideman van Amsterdam UMC
27-01-2026 - Het GNAO1-syndroom is een zeer zeldzame, erfelijke ziekte. Kinderen met dit syndroom hebben een ontwikkelingsachterstand en vaak ernstige bewegingsstoornissen die plotseling erger kunnen worden en zelfs levensbedreigend kunnen zijn. For Wis(h)dom sprak met dr. Laura van de Pol, kinderneuroloog en Larissa Heideman, promovendus/ arts-onderzoeker kinderneurologie - beiden werkzaam in het Amsterdam UMC - over het onderzoek naar deze aandoening dat sinds enige tijd loopt.

GNAO1-syndroom

Het GNAO1-syndroom is een zeer zeldzame, erfelijke ziekte. Kinderen met dit syndroom hebben een ontwikkelingsachterstand en vaak ernstige bewegingsstoornissen die plotseling erger kunnen worden en zelfs levensbedreigend kunnen zijn. Kinderen met het GNAO1-syndroom zijn gevoelig voor zo’n verslechtering, maar het is niet te voorspellen óf deze optreedt en wanneer. Het GNAO1-syndroom is niet te genezen, wel zijn er behandelingen om de symptomen, zoals de bewegingsstoornissen, tegen te gaan. Het is onvoldoende duidelijk wat de best passende behandeling is voor de problemen van deze kinderen.
In het Amsterdam UMC bestuderen onderzoekers het GNAO1-syndroom. Zij willen het verloop en de verschijnselen van de ziekte beter begrijpen en hopen beter te voorspellen waardoor en wanneer een plotseling verslechtering optreedt. Ook willen de onderzoekers meer leren over welke behandelingen het beste werken en wereldwijd onderzoek stimuleren. Daarom maken zij een patiëntenregister waarin informatie over kinderen met het GNAO1- syndroom wordt verzameld. 
Tenslotte evalueerden de onderzoekers een methode om de bewegingsstoornis in de thuissituatie objectief te meten. De metingen in het ziekenhuis zijn een momentopname en soms stressvol voor kinderen, waardoor de klachten soms erger lijken dan ze in het dagelijks leven zijn. Thuismetingen geven een realistischer beeld. Het uiteindelijke doel van het onderzoek is een betere kwaliteit van leven voor deze kinderen en hun ouders. 

Lees hier meer over het onderzoek >

Interview

Wat gebeurt er bij een plotselinge verslechtering?
Laura van de Pol: De spieren van het lichaam trekken plotseling en ongecontroleerd samen, waarbij intensieve spierspasmen en ongewone houdingen ontstaan. Dit kan zorgen voor ademhalingsproblemen, hoge lichaamstemperatuur, spierafbraak en problemen met de nieren. In ernstige gevallen kan een kind hieraan overlijden. Een infectie of verandering van medicijnen kan zo’n plotselinge verslechtering veroorzaken. Veel ouders van kinderen met het GNAO1-syndroom leven voortdurend in angst omdat ze niet weten of en wanneer zo’n verslechtering optreedt. 

Hoe worden de thuismetingen gedaan?
Larissa Heideman: De kinderen dragen twee uur per dag kleine bewegingssensoren om hun polsen, enkels en hoofd. Een app meet de bewegingen. De ouders maken korte filmpjes. Zo kunnen beeld en metingen worden gecombineerd.
Laura van de Pol: Ouders zijn blij met deze methode. Normaal moeten zij aan artsen uitleggen hoe het thuis gaat met hun kind. De thuismetingen geven aanvullende, objectieve informatie.

Kinderen met het GNAO1-syndroom kunnen niet genezen, maar wel worden behandeld. Hoe ziet een behandeling eruit?
Laura van de Pol: De behandeling verschilt per kind. Ons multidisciplinaire team kijkt samen met de ouders naar waar het kind het meest last van heeft, en wat het doel van de behandeling moet zijn. Soms kan een kind door de bewegingsstoornis bijvoorbeeld geen spraakcomputer bedienen. Dat heeft grote gevolgen want daardoor is communiceren heel lastig. Met ons team zoeken we dan naar oplossingen. De behandeling kan bestaan uit aanpassingen aan hulpmiddelen of medicijnen. Als de bewegingsstoornis heel ernstig is en medicijnen onvoldoende helpen, is soms diepe hersenstimulatie mogelijk. Dit is een operatie waarbij elektrodes in de hersenen worden geplaatst. Deze elektrodes geven signalen af, waardoor bepaalde klachten minder worden, zonder de hersenen te beschadigen. Alles is maatwerk en gericht op een beter dagelijks leven.
Larissa Heideman: Zo was er laatst een kind dat graag zelf haar nagels wilde kunnen lakken. Dat proberen wij dan met ons team ook echt mogelijk te maken!

Hoe wordt het onderzoek uitgevoerd?
Larissa Heideman: We zien de kinderen en ouders in het ziekenhuis en verzamelen daar gegevens. Bijvoorbeeld over hoe de ouders met hun kind communiceren, hoe de fijne en grove motorische vaardigheden zich ontwikkelen, maar ook hoe eten en drinken gaat of hoe de slaapkwaliteit is. Thuismetingen plannen we samen en begeleiden we op afstand.
We werken samen met specialisten in Nederland en het buitenland, maar ook met de fundamentele GNAO1-onderzoekers in Leiden. De bijdrage van For Wis(h)dom heeft ervoor gezorgd dat dit onderzoek kon starten. Daar zijn we heel blij mee!

Op welke wijze zijn patiënten betrokken?
Laura van de Pol: We werken samen met de patiëntenorganisatie stichting GNAO1 Nederland en hebben veel contact met de gezinnen. Vorig jaar organiseerden we een internationaal symposium in Keulen waar gezinnen, artsen en onderzoekers aanwezig waren en waar we ook contact hadden met internationale patiëntenorganisaties. 
Ouders van kinderen met het GNAO1-syndroom waren ook betrokken bij het bepalen van de relevante onderwerpen in het patiëntenregister dat we ontwikkelen. Samen met hen en experts uit verschillende landen, bepaalden we in een onlangs afgerond onderzoek de 17 relevante onderwerpen en 26 meetinstrumenten hiervoor.

Doen ouders graag mee aan het onderzoek?
Larissa Heideman: Bijna alle ouders reageren positief. Het geeft hen hoop dat er gewerkt wordt aan betere zorg voor hun kind. We letten er wel op dan we hen niet te zwaar belasten. Vaak is de zorgtaak voor hun kind al zwaar. We overleggen altijd wat voor hen haalbaar is. We merken wel dat ouders die ver weg wonen het lastiger vinden om aan het onderzoek mee te doen. We bekijken dan of we de lokale gegevens toch in ons onderzoek kunnen gebruiken.

Hoeveel kinderen doen er nu mee aan jullie onderzoek?
Laura van de Pol: Er doen nu ongeveer 10 kinderen mee. Voor betrouwbare voorspellingen zijn grotere aantallen kinderen nodig. Dat is een uitdaging bij een zeldzame ziekte zoals het GNAO1-syndroom en lukt alleen door internationaal samen te werken. Daarom nemen we ook deel aan een Europese samenwerking op het gebied van het GNAO1-syndroom waarbij ook internationale data wordt verzameld. Verder werken we samen met een ziekenhuis in Duitsland op het gebied van thuismetingen en de analyse van hersensignalen die worden gemeten met diepe hersenstimulatie.

For Wis(h)dom financiert jullie onderzoek voor 3 jaar. Het loopt nog tot september 2026. Wat is er zoal gebeurd in de afgelopen jaren?
Larissa Heideman: Dankzij deze financiering werk ik als promovendus aan dit onderzoek. Ik ben bezig geweest met het vormgeven van het onderzoek en kennismaken met de families. Daarnaast verzamelde ik per deelproject data over de deelnemende kinderen. Ik werkte samen met kinderlogopedisten aan een onderzoek over communicatie met kinderen met het GNAO1-syndroom. De resultaten hiervan worden binnenkort gepubliceerd. Met de thuismetingen kon ik vrij snel van start gaan omdat ik eerder ook met bewegingssensoren heb gewerkt. Ik kreeg de betrokken zorgprofessionals snel bij elkaar en de ouders werkten ook graag mee. Aan ons onderzoek voegden we de analyse van hersensignalen gemeten met nieuwe diepe hersenstimulatie-technieken toe. Het kan kinderen met het GNAO1-syndroom, en hopelijk ook kinderen met andere erfelijke bewegingsstoornissen helpen.
Laura van de Pol: Ook de thuismetingen kunnen een bredere groep kinderen helpen dan alleen kinderen met GNAO1-syndroom. Dat geldt ook voor het patiëntenregister. Ouders van kinderen met andere bewegingsstoornissen hebben dezelfde soort vragen en lopen tegen hetzelfde soort problemen aan als ouders met een kind met het GNAO1- syndroom. 

Welke uitdagingen verwachten jullie de komende tijd?
Larissa Heideman: Het op tijd analyseren van de verzamelde data is een uitdaging. Dat kost namelijk veel tijd! 

Loopt het onderzoek door nadat onze ondersteuning stopt?
Laura van de Pol: Dat is wel de bedoeling, maar het is een uitdaging om financiering te vinden voor het vervolg. We hopen ook dat ouders gemotiveerd blijven om langere tijd mee te werken aan ons onderzoek. Tot nu toe is dat gelukkig geen probleem. 

Zijn er ondanks het kleine aantal bestudeerde patiënten al resultaten waar de ouders en kinderen iets aan hebben?
Larissa Heideman: We hebben al belangrijke inzichten op het gebied van taal en communicatie.  Kinderlogopedist en onderzoeker Joke Geytenbeek ontwikkelde een speciale test om het taalbegrip te testen bij kinderen die niet of nauwelijks zelf kunnen praten en moeite hebben met zelfstandig bewegen. Ook deze test is toegevoegd aan ons onderzoek.
Laura van de Pol: Ons onderzoek laat zien dat taalbegrip niet samenhangt met de ernst van de bewegingsproblemen. Een kind dat niet kan praten en nauwelijks zelf kan bewegen, kan dus een goed taalbegrip hebben. Daarom is het belangrijk elk kind individueel te testen. Ouders en verzorgers maar ook leerkrachten kunnen met de resultaten uit deze test veel beter met het kind communiceren.  
Larissa Heideman: De analyse van hersensignalen die we meten met de nieuwe diepe hersenstimulatietechnieken, laat zien dat de hersensignalen samenhangen met de ernst van de bewegingsstoornis. We zien dit bij kinderen met het GNAO1-syndroom, maar ook bij kinderen met andere ziektes. Door de hersensignalen lange tijd te volgen, wordt zichtbaar hoe klachten ontwikkelen. Dit nieuwe inzicht helpt misschien de diepe hersenstimulatie-behandeling in de toekomst te verbeteren.

Wat is een belangrijke drijfveer voor het werk dat jullie doen?
Laura van de Pol: Kinderen met het GNAO1-syndroom hebben vaak ernstige bewegingsstoornissen die activiteiten in het dagelijks leven moeilijk maken, maar ook pijn kunnen veroorzaken. Sommigen van deze kinderen zitten als het ware opgesloten in hun lichaam: ze begrijpen veel maar bewegen is moeilijk voor hen, net als spreken of communiceren. Dat maakt op mij veel indruk; mijn hart ligt bij deze kinderen. Ik wil het GNAO1- syndroom graag beter begrijpen en de kwaliteit van leven voor deze kinderen en hun ouders verbeteren. 
Larissa Heideman: Ik begon als student geneeskunde bij de volwassen neurologie. Daar maakte ik kennis met de bewegingsstoornissen. Ik raakte geboeid door het ziektemechanisme waarover nog zo weinig bekend is, maar ook door de verschillen in de ernst van deze stoornissen. Na mijn laatste stage ben ik begonnen op deze plek bij kinderneurologie. Ik wil graag eerst meer leren over bewegingsstoornissen bij kinderen voordat ik als arts in het ziekenhuis ga werken. 
 
Waar zijn jullie trots op?
Larissa Heideman: Het meest tastbaar vind ik de resultaten op het gebied van communicatie en taal. Ouders krijgen hiermee een soort erkenning dat hun kind veel meer kan dan gedacht. Ik ben er trots op dat ik hen deze erkenning kan geven.
Laura van de Pol: We zijn bezig de zorg voor kinderen met het GNAO1-syndroom en andere bewegingsstoornissen naar een hoger niveau te brengen. Ik ben trots op ons team in Amsterdam UMC waarin we met veel verschillende specialisten samenwerken, en onderzoek doen. Hierbij is de intensieve samenwerking met de ouders en kinderen zelf onmisbaar. 

Wat zouden jullie graag bereiken in de toekomst?
Laura: Ik hoop op betere behandelingen voor kinderen met het GNAO1- syndroom en andere erfelijke bewegingsstoornissen.  
Larissa: En ik wil graag aantonen dat de thuismeting een betrouwbaar middel is en diepe hersenstimulatie als behandeling verbeteren! 

Onderzoeksteam

V.l.n.r: Laura van der Pol, Larissa Heideman, Helga Haberfehlner en Deborah Hubers

Het onderzoeksteam bestaat uit kinderneuroloog prof. dr. Nicole Wolf, kinderrevalidatie-arts prof. dr. Annemieke Buizer, dr. Laura van de Pol (kinderneuroloog), Larissa Heideman Msc (promovendus /arts-onderzoeker), dr. Helga Haberfehlner (post-doc) en Deborah Hubers Msc (promovendus /technisch geneeskundige).

De For Wis(h)dom Foundation ondersteunt dit onderzoek voor een periode van 3 jaar.

Lees hier meer over het onderzoek >

 

 


Tekst: Ilze Roelofs